Vulgair Straatfascisme door H. J. A. Hofland 

Door H. J. A. Hofland

De houding die de industriële beschaving tot dusver tegen haar grootste bedreiging in vredestijd de particuliere auto heeft aangenomen, doet denken aan die van een hond, geconfronteerd met de overmacht van een soortgenoot. De zwakke partij gaat op zijn rug liggen, steekt de poten omhoog, demonstreert daarmee zijn weerloosheid, zijn zieligheid, en doet impliciet een beroep op de redelijkheid van zijn tegenstander.

De Duitse tentoonstelling Alptraum Auto en de Nederlandse versie waarin de Alptraum door een nachtmerrie is vervangen, doet denken aan zo’n hond op zijn rug. Alles wat we daarin zien hoe overtuigend ook voor degenen die het met de titel eens zijn hoort tot de categorie demonstratie van eigen weerloosheid, en doet impliciet een beroep op de redelijkheid van de vijand. De overreden dieren, de vernederende toestand waarin de niet gemotoriseerde stadsmens zich tientallen malen per dag tegenover de wel gemotoriseerde bevindt, de krankzinnige verspilling waarvan de kerkhoven voor mensen en auto’s de monumenten zijn, de verpesting van lucht en bodem, de erediensten voor het blik zoals die op de autosalons worden gehouden en nog veel meer: het is hier weer allemaal overtuigend en soms aangrijpend aanwezig. Bij elkaar is het de zoveelste poging om het restant aan redelijkheid van de particuliere automobilist te bereiken, en ik vrees dat het de zoveelste mislukking is. Met alle respect: ouwe koek waarvoor de vijand immuun is geworden. Ik denk dat deze demonstraties hun tijd hebben gehad en dat er naar drastischer maatregelen moet worden omgezien ter bestrijding van deze beschavingspest. Ik geloof ook dat zulke maatregelen alleen maar een kans van resultaat kunnen hebben als we afscheid nemen van het denkbeeld dat we hier met een redelijke tegenstander te maken hebben, althans een kracht die in staat is, zich te verplaatsen in de positie van degene die zijn prooi is. Het is tijd het automobilisme van een ander signalement te voorzien.

Het mag nu sommigen wat radicaal klinken, maar ik geloof dat we het automobilisme, of liever gezegd, het weergaloze, wereldwijde succes en de vernietigende kracht van het automobilisme alleen kunnen begrijpen als we het vergelijken met het fascisme; als we het niets ontziende, molochistische en totalitaire karakter van het automobilisme herkennen als een informeel fascisme van alle dag. Vulgair straatfascisme. Ja, het klinkt te radicaal. Een onbetwijfelbare intellectueel, misschien wel een van de intellectueelste mannen van onze beschaving, verzette zich fel. Dat hebben we altijd gewild, zei hij. Meer dan tachtig procent van het volk in de auto. Dan moeten we niet over fascisme gaan zeuren. Ik wees hem op de meer dan duizend doden per jaar, de ‘tol die het verkeer eist’ zoals het met het onbeschaamdste eufemisme van onze taal wordt genoemd. Toen er alleen nog paard en wagens waren, werden de mensen ook overreden, zei hij. Ze vallen ook dodelijk van de trap maar daarmee schaf je de trap niet af. Dit debat was voor hem afgelopen.

Heeft het automobilisme zich ontwikkeld tot het fasiscme van de straat? Ik weet zeker dat ik gelijk heb, en daarvoor geef ik de volgende argumenten. Het automobilisme heeft een praktische hiërarchie in de samenleving gevestigd gegrondvest op het recht van de sterkste. Wie zich tussen vier wielen bevindt en gewapend is met een explosiemotor is niets meer of minder dan de dictator, ten eerste van zijn onmiddellijke omgeving, en vervolgens, via een politiek systeem dat zich in hoge mate naar het automobilisme heeft gevoegd, van een veel groter grondgebied. Ik hoef geen nadere beschrijving van het dagelijks leven op straat of van de politieke besluitvorming op het gebied van stadsplanning of ruimtelijke ordening te geven om dit toe te lichten.

Door de vanzelfprekendheid van het verschijnsel valt het minder op. Het blijft er niet minder fascistisch om. Het is fascistisch, ten eerste doordat het recht van de sterkste op straat tot gewoonterecht is verheven; ten tweede doordat degenen die dit recht uitoefenen, het op alle mogelijke manieren accentueren (accelaratie, spoilers, skirts, talrijke variaties in hetlawaai van de snelheid); ten derde door zijn atavistische trekken. Zoalshet fascisme zet het automobilisme de klok terug. De communicatie tussen de automobilisten onderling entussen de automobilist en de niet-gemotoriseerde is, zoals door Rudy Kousbroek is vastgesteld, tot dierlijk niveau teruggebracht. De auto zou zelfs een wetenschappelijk middelkunnen zijn om communicatie tussendieren beter te begrijpen. Het beperkt aantal manieren waarop kanworden getoeterd het imponerend tot dreigend gedrag waartoe stuur en motor de automobilist in staat stellen corresponderen min of meer met het aantal communicatiemogelijkheden dat een dier van hogere orde totzijn beschikking heeft. De parallel gaat nog verder zoals uw verbeeldigskracht u ongetwijfeld hierna duidelijk zal maken. Ons gaat het erom dat automobilisme de enige vorm van fascisme is die de oorlog glansrijk heeft overleefd, het pleit heeft gewonnen zonder dat zijn ware aard is ontmaskerd.

Dit is meteen de kern van het vraagstuk. Met dit signalement schieten we bitter weinig op als we geen oog hebben voor de positieve keerzijde. Bestrijding van het automobilismekan pas een begin van succes hebben als we de auto niet zomaar zoals het heet ‘verwerpen’ maar erkennen dat we hier te maken hebben met het grootste technische wonderuit de geschiedenis, of liever gezegd een combinatie van wonderen die demeeste mensen zich tegen een relatieve habbekrats kunnen aanschaffen, waarmee ze in een aantal varianten van extase kunnen raken en dit op ieder ogenblik dat het hun belieft, zonder dat het wonder daarmee verloren gaat. In het sprookje kondegene die de tovenaar tegenkwam, maximaal drie wensen doen. De automobilist kent die kinderachtige beperking niet. Hij heeft bij wijze vanspreken zijn tovenaar in eigendom,en als de ene versleten is, ruilt hijhem in tegen een andere die tot nogmeer in staat is. Het hoeft geen verbazing te wekken dat weinig mensentegen zo’n perspectief bestand zijn. Jacques de Kadt schreef in 1938: ‘De hoofdzaak is niet te ontdekken wat er rot is in en aan het fascisme,want dat hebben de critici van democratische en socialistische kant reeds onophoudelijk en overvloedig aangetoond, maar om te ontdekken wat er sterk, gezond en waar aan het fascisme is. Want daardoor was het in staat, een kern van overtuigden en idealisten te winnen; daardoor was het in staat, massa’s met zich mee teslepen.’ In zijn bekende essay Kanttekeningen bij Hitler heeft Sebastian Haffner zich op overeenkomstige wijze over de verleidingen van het nazisme in de jaren dertig uitgelaten. Het is niet moeilijk, hierin een parallel met het automobilisme te ontdekken.

Wie zich buiten het automobilisme bevindt, weet dat het een zelfvernietigende begoocheling is, maar binnende tovercirkel blijft men fanatiek overtuigd van zijn eigen gelijk. Daar heeft zich in de loop van tientallen jaren het autocentrisch denken ontwikkeld, met al zijn magie, irrationalisme en zelfbedrog maar ook met zijn gevestigde, fanatiek verdedigde verworvenheden die niet een twee drie ongedaan kunnen worden gemaakt of straffe van maatschappelijke ontwrichting. Daar heeft men zijn eigen normen en waarden en zijn hecht doortimmerde rechtvaardigingen, zijn ideologie, kortom, zijn tweede natuur.

Wij weten dat we de strijd aanbinden met een parasiet van saurusachtige afmetingen, een verslinder vanhonderdduizenden levens en onmisbare hulpbronnen. Maar de vijand wordt bezield door het geloof in zijn gelijk en gesteund door een halve logica die hij voor de absolute aanziet. Hieruit vloeit voort dat, als we het automobilisme willen bestrijden, we de illusie over een beroep op de redelijkheid van de tegenstander uit ons hoofd moeten zetten. We moeten beseffen dat we een oorlog voeren, zoals het automobilisme dat tegen ons doet en dat we daarbij voorlopig de zwakkere partij zijn. Het moet duidelijk zijn dat het tentoonstellen van slachtoffers en ruïnes eenvruchteloze politiek is. We mogenten slotte niet de vergissing makendat we het blik an sich voor de vijand aanzien. We voeren oorlog tegen een in duizenden wetten, borden,constructies en contracten vastgelegde ideologie, een evangelie zoals er sinds dat van Jezus Christus niet meer is geschreven. Het automobilisme is een vijandige wijze van leven, ingebed in een vijandige cultuur.

Er is, op kleine schaal, een krachtmeting die met de oorlog tegen het automobilisme vergelijkbaar is: de strijd tegen het roken. Tot tegen het einde van de jaren vijftig bewezen werd dat het roken van sigaretten longkanker veroorzaakt, was de sigaret een klein, onmisbaar toebehoren van het dagelijks leven, zoals de autodat in het groot is. Ook de sigaret scheen iets toe te voegen aan het menselijk bestaan waardoor dit waardevoller werd, dichter tot de volledigheid naderde. Het roken had de geheimzinnigheid, het dwangmatige en de rijk gevarieerde hoeveelheid parafernalia die een geloof, of alsmen wil, een ideologie eigen zijn. De roker is zijn eigen doodsvijand zoals de automobilist. Hij probeert zich tebeschermen met filters en teerarme tabak, zoals de automobilist dat doetmet veiligheidsgordels, kooiconstructies en maximum snelheden. De roker die in het openbaar een sigaret opsteekt, heeft in wezen dezelfde minachting voor zijn niet-rokende omgeving, als de automobilist achter het stuur voor iedereen die loopt. Invergelijking tot de automobilist is de individuele roker als maatschappelijk gevaar vrijwel te verwaarlozen maar dat geldt niet voor het roken als beschavingsverschijnsel. Daar ligt de hoofdzaak van de overeenkomst.

In de Verenigde Staten is tegen het einde van de jaren zeventig de strijd tegen het roken serieus begonnen. Toen ik daar de eerste militante niet-rokers in openbare gelegenheden bezig zag, heb ik weieens gedacht aan de eerste christenen: hoe die door Nero’s leeuwen in de arena werden verscheurd. De militante niet-roker had in die tijd alles tegen :om te beginnen natuurlijk de ideologie van de rokende gemeente met zijn priesters als Humphrey Bogart,maar ook de zakelijke belangen van de tabaksindustrie en de fiscus, de wetgeving, de zeden en gewoonten.Twintig jaar later is in de Verenigde Saten de strijd tegen de rookcultuur gewonnen. Men is daar nu bezig methet opruimen van de verzetshaarden,weliswaar omvangrijk maar onmiskenbaar in de verdediging gedrongen en een verloren strijd voerend.

Voorzover ik weet is deze krachtmeting nog niet wetenschappelijk onderzocht, hoewel we hier te maken hebben met de grootste sociale omwenteling in het dagelijks leven vanhet beschaafde westen. Ik denk dat de bestrijders van het automobilisme veel van de militante anti-rokers kunnen leren. Het valt trouwens opdat het automobilisme zelf geen voorwerp van wetenschappelijk onderzoek is. Wel is er de geschiedenis van de auto, wel is er de wetenschap van de technische perfectie, de ruimtelijke ordening en de invloed op het milieu, maar dat zijn stuk voor stuk deelgebieden waarin de invloed van het automobilisme een rol speelt. Er is een wetenschap nodig die het automobilisme zelf centraal stelt en waarin de psychologie, politicologie, economie, geneeskunde,ruimtelijke ordening, stadsplanning, milieukunde, en nog het een en ander hulpwetenschappen zijn. Er dient een totaalbeeld te ontstaan van het aanbeden monster en zijn gelovigen. Het monster moet worden ontdaan van zijn eigenschappen die het totalitaire, het dictatoriale, het infantiele en het atavistische in de westerse mens activeren. Het moet worden teruggebracht tot zijn oorspronkelijke proporties: dat van een technisch wonder, nuttig gereedschap zoals het is in de vorm van een tractor of een stadsbus, maar niet als ‘middenklasser met een top van 200’ of simpelweg patserspronkstuk als de pet van een ss’er. We zijn niet bij machte, per decreet de westerse cultuur te veranderen, maar we kunnen wel een onredelijke wetgeving door een redelijke vervangen om een massale zelfvernietiging tot staan te brengen. Dat is nog niet voldoende. Er zal ook getoond moeten worden hoe het in redelijkheid beter kan. Er is een geweldige ombouw van de samenleving nodig, misschien niets minder dan een wereldoorlog in vredestijd. Als daarbij de verleiding van het oude wonder niet bijtijds door een andere wordt vervangen, zal het automobilisme ons wurgen en ook dan wordt Amsterdam wel autovrij, maar ongeveer zoals Verdun indertijd vrij van mensen is geworden. 

Auteur: H.J.A. Hofland. Deze tekst is uitgesproken op de bijeenkomst ‘Amsterdam milieuhoofdstad van Europa!?’, georganiseerd door het Goethe-Instituut en De Melkweg, 28 mei 1989.

Bron: Henk Hofland in NRC Handelsblad via Delpher, opgehaald op 25 maart 2024.

Leave a comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *