H.J.A. Hofland: Vulgair straatfascisme

NRC Handelsblad, 29 juli 1989

De houding die de industriële beschaving tot dusver tegen haar grootste bedreiging in vredestijd – de particuliere auto – heeft aangenomen, doet denken aan die van een hond, geconfronteerd met de overmacht van een soortgenoot. De zwakke partij gaat op zijn rug liggen, steekt de poten omhoog, demonstreert daarmee zijn weerloosheid, zijn zieligheid, en doet impliciet een beroep op de redelijkheid van zijn tegenstander.

Vulgair straatfascisme. Oorspronkelijke illustratie door Marcel Leuning bij het artikel van HJA Hofland in NRC Handelsblad, 29 juli 1989

De Duitse tentoonstelling Alptraum Auto en de Nederlandse versie waarin de Alptraum door een nachtmerrie is vervangen, doet denken aan zo’n hond op zijn rug. Alles wat we daarin zien – hoe overtuigend ook voor degenen die het met de titel eens zijn – hoort tot de categorie demonstratie van eigen weerloosheid, en doet impliciet een beroep op de redelijkheid van de vijand.

De overreden dieren, de vernederende toestand waarin de niet gemotoriseerde stadsmens zich tientallen malen per dag tegenover de wel gemotoriseerde bevindt, de krankzinnige verspilling waarvan de kerkhoven voor mensen en auto’s de monumenten zijn, de verpesting van lucht en bodem, de erediensten voor het blik zoals die op de autosalons worden gehouden en nog veel meer: het is hier weer allemaal overtuigend en soms aangrijpend aanwezig.

Bij elkaar is het de zoveelste poging om het restant aan redelijkheid van de particuliere automobilist te bereiken, en ik vrees dat het de zoveelste mislukking is. Met alle respect: ouwe koek waarvoor de vijand immuun is geworden. Ik denk dat deze demonstraties hun tijd hebben gehad en dat er naar drastischer maatregelen moet worden omgezien ter bestrijding van deze beschavingspest. Ik geloof ook dat zulke maatregelen alleen maar een kans van resultaat kunnen hebben als we afscheid nemen van het denkbeeld dat we hier met een redelijke tegenstander te maken hebben, althans een kracht die in staat is, zich te verplaatsen in de positie van degene die zijn prooi is.

Ik geloof dat we het wereldwijde succes en de vernietigende kracht van het automobilisme alleen kunnen begrijpen als we het vergelijken met het fasiscme

Het is tijd het automobilisme van een ander signalement te voorzien. Het mag nu sommigen wat radicaal klinken, maar ik geloof dat we het automobilisme, of liever gezegd, het weergaloze, wereldwijde succes en de vernietigende kracht van het automobilisme alleen kunnen begrijpen als we het vergelijken met het fascisme; als we het niets ontziende, molochistische en totalitaire karakter van het automobilisme herkennen als een informeel fascisme van alle dag.

Vulgair straatfascisme. Ja, het klinkt te radicaal. Een onbetwijfelbare gelijk en gesteund door een halve logica die hij voor de absolute aanziet. Hieruit vloeit voort dat, als we het automobilisme willen bestrijden, we de illusie over een beroep op de redelijkheid van de tegenstander uit ons hoofd moeten zetten. We moeten beseffen dat we een oorlog voeren, zoals het automobilisme dat tegen ons doet en dat we daarbij voorlopig de zwakkere partij zijn.

We mogen ten slotte niet de vergissing maken dat we het blik-an-sich voor de vijand aanzien

Het moet duidelijk zijn dat het tentoonstellen van slachtoffers en ruïnes een vruchteloze politiek is. We mogen ten slotte niet de vergissing maken dat we het blik-an-sich voor de vijand aanzien. We voeren oorlog tegen een in duizenden wetten, borden, constructies en contracten vastgelegde ideologie, een evangelie zoals er sinds dat van Jezus Christus niet meer is geschreven. Het automobilisme is een vijandige wijze van leven, ingebed in een vijandige cultuur.

Er is, op kleine schaal, een krachtmeting die met de oorlog tegen het automobilisme vergelijkbaar is: de strijd tegen het roken. Tot tegen het einde van de jaren vijftig bewezen werd dat het roken van sigaretten longkanker veroorzaakt, was de sigaret een klein, onmisbaar toebehoren van het dagelijks leven, zoals de auto dat in het groot is. Ook de sigaret scheen iets toe te voegen aan het menselijk bestaan waardoor dit waar- devoller werd, dichter tot de volledigheid naderde. Het roken had de geheimzinnigheid, het dwangmatige en de rijk gevarieerde hoeveelheid parafernalia die een geloof, of als men wil, een ideologie eigen zijn. De roker is zijn eigen doodsvijand zoals de automobilist. Hij probeert zich te beschermen met filters en teer-arme tabak, zoals de automobilist dat doet
met veiligheidsgordels, kooiconstructies en maximum snelheden.

Ik denk dat de bestrijders van het automobilisme veel van de militante anti-rokers kunnen leren

De roker die in het openbaar een sigaret opsteekt, heeft in wezen dezelfde
minachting voor zijn niet-rokende omgeving, als de automobilist achter het stuur voor iedereen die loopt. In vergelijking tot de automobilist is de individuele roker als maatschappelijk gevaar vrijwel te verwaarlozen maar dat geldt niet voor het roken als beschavingsverschijnsel. Daar ligt de hoofdzaak van de overeenkomst.

In de Verenigde Staten is tegen het einde van de jaren zeventig de strijd
tegen het roken serieus begonnen. Toen ik daar de eerste militante niet-rokers in openbare gelegenheden bezig zag, heb ik weieens gedacht aan de eerste christenen: hoe die door Nero’s leeuwen in de arena werden verscheurd. De militante niet-roker had in die tijd alles tegen: om te beginnen natuurlijk de ideologie van de rokende gemeente met
zijn priesters als Humphrey Bogart, maar ook de zakelijke belangen van
de tabaksindustrie en de fiscus, de wetgeving, de zeden en gewoonten.

Twintig jaar later is in de Verenigde Saten de strijd tegen de rookcultuur
gewonnen. Men is daar nu bezig met het opruimen van de verzetshaarden,
weliswaar omvangrijk maar onmiskenbaar in de verdediging gedrongen
en een verloren strijd voerend. Voorzover ik weet is deze krachtmeting nog niet wetenschappelijk onderzocht, hoewel we hier te maken hebben met de grootste sociale omwenteling in het dagelijks leven van het beschaafde westen. Ik denk dat de bestrijders van het automobilisme veel van de militante anti-rokers kunnen leren.

Er is een wetenschap nodig die het automobilisme zelf centraal stelt

Het valt trouwens op dat het automobilisme zelf geen voorwerp van wetenschappelijk onderzoek is. Wel is er de geschiedenis van de auto, wel is er de wetenschap van de technische perfectie, de ruimtelijke ordening en de invloed op het milieu, maar dat zijn stuk voor stuk deelgebieden waarin de invloed van het automobilisme een rol speelt. Er is een wetenschap nodig die het automobilisme zelf centraal stelt en waarin de psychologie, politicologie, economie, geneeskunde, ruimtelijke ordening, stadsplanning,
milieukunde, en nog het een en ander hulpwetenschappen zijn.

Er dient een totaalbeeld te ontstaan van het aanbeden monster en zijn gelovigen. Het monster moet worden ontdaan van zijn eigenschappen die het totalitaire, het dictatoriale, het infantiele en het atavistische in de westerse mens activeren. Het moet worden teruggebracht tot zijn oorpronkelijke proporties: dat van een technisch wonder, nuttig gereedschap zoals het is in de vorm van een tractor of een stadsbus, maar niet als ‘middenklasser met een top van 200’ of simpelweg patserspronkstuk als de pet van een ss’er.

We zijn niet bij machte, per decreet de westerse cultuur te veranderen, maar we kunnen wel een onredelijke wetgeving door een redelijke vervangen om een massale zelfvernietiging tot staan te brengen. Dat is nog niet voldoende. Er zal ook getoond moeten worden hoe het in redelijkheid beter kan. Er is een geweldige ombouw van de samenleving nodig, misschien niets minder dan een wereldoorlog in vredestijd. Als daarbij de verleiding van het oude wonder niet bijtijds door een andere wordt vervangen, zal het automobilisme ons wurgen en ook dan wordt
Amsterdam wel autovrij, maar ongeveer zoals Verdun indertijd vrij van
mensen is geworden. ■

Deze tekst is uitgesproken op de bijeenkomst ‘Amsterdam milieuhoofdstad van Europa!?’, georganiseerd door het Goethe-Instituut en De Melkweg, 28 mei 1989

HJA Hofland, Vulgair straatfascisme.
NRC Handelsblad, Zaterdags Bijvoegsel, 29 juli 1989 (Delpher)